De gemeenschap centraal
Bijdrage van Elisabeth IJmker - raadslid Groenlinks Amsterdam
POLITIEK
Elisabeth IJmker
3/10/20263 min read


Een (christelijk) links verhaal gaat wat mij betreft verder dan een klassieke focus op het terugbrengen van taken naar de overheid. Zeker, het is hard nodig dat we de privatiseringsgolf en doorgeslagen marktwerking van de afgelopen decennia terugdraaien om te zorgen voor bestaanszekerheid en publieke voorzieningen. Maar wat we net zo hard nodig hebben is meer aandacht voor de gemeenschap.
In mijn werk als raadslid in Amsterdam moet ik vaak denken aan het woord ‘meent’, in het Engels ook wel bekend als commons. Het woord ‘meent’ voelt wellicht wat ouderwets. Terwijl het zo mooi terugkomt in onze meest lokale overheid: de gemeente. Een gemeenteraad dient de gemeente, de meent: het dorp, de stad, de openbare ruimte, de straten, de parken. Dat wat we delen en waar we samen gebruik van maken. Dit gedachtegoed opnieuw omarmen is wat mij betreft essentieel voor links economisch denken. Wanneer we naar economie kijken als meer dan markt en overheid, en ruimte maken voor de meent, ontstaat er gemeenschap en burgerschap.
Gemeenschappen boven individuen
Paus Franciscus beschrijft op een mooie manier wat die gemeenschap inhoudt in zijn Laudato Si. Hij benoemt de band tussen naastenliefde, gerechtigheid en zorg voor de natuur. Ook verwijst hij naar Franciscus van Assisi, die spreekt over de aarde als ons gemeenschappelijk huis. Het probleem is dat er al heel lang niet meer wordt geïnvesteerd in gemeenschappen. De kracht van gemeenschappen, of de kracht van het collectief, is ondermijnd door het neoliberale verhaal en focus op het individu.
Toch zijn er allerlei plekken waar mensen bezig zijn om die gemeenschap vorm te geven. Je gaat het pas zien als je het doorhebt: de buurtwinkel, het voedselbos, groene geveltuinen, de zorgcoöperatie of de klassieke voetbalclub. Deze initiatieven zijn allemaal onderdeel van de zogenaamde gemeenschapseconomie. Lokaal geworteld, waar de verdiensten ten goede komen aan buurtbewoners. Waar niet winst voorop staat, maar de gemeenschap. En zo ook tegenwicht biedt aan aandeelhouderskapitalisme en groeiende economische ongelijkheid.
Neem bijvoorbeeld energiecoöperaties. Door als coöperatie bijvoorbeeld een windmolen te ‘adopteren’ zorgen bewoners dat zij profiteren van de gewonnen duurzame energie, in plaats van dat de winst terechtkomt bij anonieme aandeelhouders. Of door collectief zonnepanelen in te kopen, waarbij de opgewekte energie terugvloeit naar de buurt. Het zijn initiatieven die je als individu niet kan opzetten, daarvoor is de schaal te groot. Maar door te verenigen, door je als gemeenschap te organiseren, wordt dat wat de afgelopen decennia aan de markt gelaten is terug in publiek-collectieve handen genomen.
Ontmoeting
Wat deze initiatieven ook gemeen hebben: ze creëren ontmoeting. En ontmoeting draagt bij aan solidariteit. Er zijn steeds minder plekken waar ontmoeting plaatsvindt tussen mensen die niet op elkaar lijken, met verschillende achtergronden. De kerk is van oudsher uiteraard zo’n plek van samenkomst, waar het hele dorp of de wijk op zondagochtend naast elkaar in de kerkbanken zit. Het is voor mij een van de plekken waar ik mensen ontmoet die niet per se op mij lijken: van verschillende leeftijden, culturen of sociaaleconomische achtergronden. Dit soort plekken van ontmoeting worden steeds schaarser en ik zie de gemeenschapseconomie als een manier om daarin te investeren.
Dit betoog klinkt wellicht als een klassiek verhaal van de confessionele partijen. Maar wat mij betreft hoort het juist bij links. Confessionele partijen spreken vaak over de samenleving alsof ze los staat van de overheid, of zelfs als vervanging van een terugtrekkende overheid (denk aan de zogenaamde ‘participatiesamenleving’). Maar als we de driehoek markt, overheid, samenleving opnieuw bekijken, dan moet de overheid juist het fundament leggen zodat de gemeenschap kan ontstaan. Zodat mensen elkaar weer ontmoeten en samen werken aan een nieuwe beweging van collectieven.
Dat lijkt me nou een mooie opdracht voor het nieuwe kabinet. Meer burger, minder markt, en een overheid die dat mogelijk maakt.
Dit is een bewerking van een essay ‘Meer burger, minder markt’, verschenen in tijdschrift Radix (2024)